Vol trots komt hij naar mij toe, mijn zoon. "Mam, dit is een hoe-heet-het-ook-al-weer-een-schim". Hij toont mij een tijdens de creatieve uren op school gemaakt batik kunstwerk, waarop als je goed kijkt het silhouet van een persoon doorschijnt.
Dat is inderdaad een schim. Mijn zoon heeft een schim gemaakt. Volgens Van Dale:
schim (de ~, ~men)
1 gedaante die slechts vaag is waar te nemen =>
schaduwgestalte
2 geest van een afgestorvene => spook
3 schaduwbeeld
=> silhouet
Ik vind 'm mooi: de schim; er zit nu een haakje aan en hij hangt aan de muur.
Mijn zoon vindt 'm ook mooi.
Ik vind mijn zoon mooi.
» terug naar het overzicht.
Schim
zaterdag 7 juli 2007
Reageren
Reageren op dit bericht is niet mogelijk.

