» terug naar het overzicht.
Iets meer dan 2 uur ben ik hier nu. De bagage is achtergelaten bij het hotel, de fiets gehuurd, zelfs de 1e zes versnellingen daarop zijn allen al gebruikt. Vlieland in vogelvlucht; soms letterlijk gestimuleerd door windkracht 7 in de rug; de andere kant op is een ander verhaal, dat ik hier niet zal ophangen, al is het maar omdat dat mij zelf frustreert, wetend dat ik met gemak ingehaald ben door moeders-met-kinderen-op-tandems-zonder-versnelling. Bij mij gebeurt er altijd iets vreemds met fietsen, ik vind het heerlijk maar ik doe het altijd met de duvel op mijn hielen, althans zo voelt het. Meestal projecteer ik de reden ervan op mijn metgezel, vanuit het idee dat mijn conditie altijd onderdoet voor die van de ander en ik de ander niet zou willen ophouden in zijn of haar ritme. Schijnbaar zonder moeite pas ik dan mijn ritme aan. Maar omdat het niet mijn ritme is, blijft het behelpen, zich meestal verradend in een vroegtijdig buitenadem zijn of het stokken van het gesprek: zoals praten en breien bij vrouwen samen gaat, zo is dat bij mij niet zo met fietsen. Dan brei ik liever.
Het terras. Een opa van 83 vertelt aan zijn kleinzoon over het ontstaan van de naam Stortemelk. Opa is een levendig verteller en de kleinzoon een dankbare luisteraar die zijn opa verleid heeft tot dit terras, waar de rieten badstoelen voorzien van comfortabele kussens en schapenachtige fleece-dekentjes zijn voorzien. Zijn ‘O, doe maar Sprite” verraadt dat dit niet zijn eerste terrasbezoek is en dat hij duidelijk meer gewend is. Na het consumeren van zowel hetgeen werd opgediend door de serveerster als door opa vertrekken ze weer. “De anderen weten niet waar we blijven”, zegt opa. “Ze zeggen vast: die is weer iemand tegen gekomen zeker.” Vervolgens zegt hij op vragende toon: “Leuk hè, is dit?!” tegen zijn kleinzoon. Met een routineus “ja” antwoordt zijn kleinzoon meer ter bevestiging van opa dan het bezoek van zojuist evaluerend. Innerlijk glimlachend moet ik denken aan hoe vaak ik kan zeggen: “O, wat gezellig hè?” als ik met mijn lief en kinderen zicht- en hoorbaar van het samenzijn geniet. Na de 3e keer herinneren mijn lief of één van de kinderen me er meestal aan dat ik dat al gezegd heb.
Het zal nu voor de 3e of 4e keer zijn dat ik op het eiland ben, voor het eerst alleen. Althans ik reis alleen, maar er zijn hier genoeg mensen die op hetzelfde idee gekomen zijn voor deze dagen. Ik ken niemand en ik ken ze allemaal.
De wij-wij-zijn-hier-ook-al-vaker-geweest en gaan voorlopig nog niet weg mensen. De schuchtere verkenners. De we-hebben-er-zin-in-en-hebben-‘t-eerste-tray-tje-al-geconsumeerd-kudde (dat zijn er opvallend weinig, maar het was de vroegste boot vanuit Harlingen), de wij-hebben-een-familie-uitje-groepjes, en de gezinnen met kleine kinderen die ook makkelijk en liever op een ander moment buiten de schoolvakanties hier hadden vertoeven, ware het niet dat pappa verplicht met bouwvak is of mamma natuurlijk, die directeur is van een toeleveringsbedrijf in dezelfde branche. Ik heb nog geen Einzelgänger gezien, maar dat zal wel schijn zijn.
Het is mijn 2e dag van 4 dagen weg, waarin ik een dik boek bij me heb dat ik me vast voorgenomen heb om te lezen. Verder dan 3 bladzijden ben ik nog niet gekomen: er gebeurt gewoon te veel. Zelfs als je hier niks doet op een plek waar je niemand ziet, om misschien wel juìst als je niets doet op zo’n plek, dan is er zoveel om bij stil te zijn. Gewoon in jezelf. Dat je je zo ontzettend gelukkig mag prijzen dat je een kind van de wereld bent en dat je de kans hebt om te fietsen in deze prachtige natuur; of het nu met tegenwind is of de wind in je rug. Dat je een prachtfiets kunt huren, daar het geld voor hebt, en de gezonde benen om de pedalen rond te krijgen, dat je kunt stoppen waar of wanneer je maar wilt, om wat te eten of drinken of om met je inmiddels niet meer zo nieuwe maar wel prachtige fotocamera een poging te doen om vast te leggen wat jij op dat moment op je netvlies (en met al je anderen niet met de camera vast te leggen zintuigen) ervaart. Dat ik de mevrouw-zonder-versnellingen in haal (ja, ik rijd hier op deze dagen alleen mijn eigen ritme, dat dan weer wel), die mij uitlegt dat een fiets-mèt voor haar niet is weggelegd, wijzend op de brace om haar rechterpols. Ik vraag mij ondertussen af of de meneer-met-een-arm-en-wel-de-linker, die ik 10 minuten geleden tegenkwam nou wel of niet op een versnellingenfiets reed. Dat is toch belangrijke informatie voor een middag met jezelf alleen op dit prachtige eiland fietsend.
En natuurlijk stel ik mij ook de andere –meer vanzelfsprekende vragen- die meerdere mensen zich op dit eiland stellen, samen of alleen reizend: “Wat lekker en/maar wat doe ik hier?” En waarom in dit gezelschap (of alleen)?” “Zit ik wel in de goede relatie?” (Ja, je zit per definitie in de juiste relatie, want zelfs als je wilt scheiden is dit de perfecte relatie om dit blijkbaar in uit te proberen). ”Is dit wel mijn leven?”(Ja, van wie anders?) . “Is dit wel mijn richting?” Ja, want je bent er nou toch en als je probeert van richting te veranderen en dat is niet de bedoeling, dan regelt het leven voor jou wel weer de juiste richting en keer je vanzelf op je pad terug; dan zit je nu gewoon in een omleiding, wegomlegging, verkeersopstopping, wat dan ook, maar zelfs die hoort bij jouw richting blijkbaar.
En nu zit ik dus op een terras, alleen en met een stuk of 30 anderen. Ik vraag mij af of ik het leuk vind om alleen te reizen. De meesten hier lijken net van de boot te komen en kijken nog wat verliefderig naar elkaar (als je zwanger wilt worden, zie je ook alleen maar dikke buiken) met voldoende gesprekstof, al is het maar over de uitmuntende kaart die ze hier hebben. Niet helemaal een onderwerp voor tortels, dat laatste, maar het vult de stilte, en dat is wat de meesten hier proberen te doen. Het is nog niet de gevaarlijke 3e dag waarop alles ineens heel anders lijkt te gaan dan vooraf afgesproken of waarop de samenreizenden vanzelf in hun oude patroon terug vallen, waarmee de saaiheid van de andere kant van het water zich weer aandient en men zich weer begint af te vragen wat ze de ander nog te melden hebben of vice versa. Vooral het ontberen van nachtrust als gevolg van het door een van de partners vergeten anti-muggenspul kan hierin een voorwaartse versnelling van het ontstaan van een waarom-ben-ik-hier-in-Gods-naam gevoel geven.
Dat laatste vraag ik me ook af. Ben ik hier nou omdat ik het zo leuk vind om alleen op pad te gaan (bevalt overigens goed hoor, want met je partner op een terrasje ga je niet een half uur met een laptop voor je snufferd zitten en of andere hier dat “aso” vinden, dat vind ik in deze setting niet interessant)? Of ben ik hier omdat ik wel graag hier wil zijn, maar toch liever met mijn lief. Ik ben er nog niet uit. Zo vind ik het fietsen in mijn eigen ritme verrassend fijn; ik behoor tot de categorie die bij enige tegenslag (te) snel de auto pakt en hier fiets ik om te fietsen (of zoiets). En verder is het heerlijk fietsen met een camera in de aanslag en het landschap in mij op te zuigen als kijk ik voortdurend door een lens: dat geeft focus en een innerlijk creërende energie die mij af en toe zegt af te stappen, zonder dat ik hierover hoef te overleggen of mij bezwaard voel daarover. Dit bevordert mijn spontaniteit in het nemen van foto’s en kijkend naar het resultaat op het klein schermpje van mijn camera, zittend op dit terras, is dat geen slechte bijkomstigheid. En toch is er ook een deel van mij dat de 1.794 woorden die ik inmiddels geschreven heb graag achterwege had gelaten als mijn lief me hier had vergezeld op dit terras of een andere gezellige gesprekspartner, maar dan wel in die volgorde. Ondertussen realiseer ik mij dat ik daarmee jou als lezer ernstig tekort zou hebben gedaan door mijn spinsels niet op te tekenen in dit document. In het alleen zijn van de afgelopen jaren (vroeger zorgde ik wel dat ik nooit alleen was, dus dat is echt iets van de laatste jaren) wordt het mij steeds duidelijker dat iemand die schrijft, echte schrijvers dus, het alleen zijn ontzettend nodig zullen hebben om te kunnen creëren, om de inspiratie, de informatie en de energie te laten stromen om te komen tot een verhaal. Voor columnisten lijkt het me overigens een combinatie van beiden: neem een bezoekje aan een terras van 10 minuten en je hebt weer voldoende stof voor een week columns. Zonder hem te kort te willen doen: Martin Bril, God hebbe zijn ziel, weet wat ik bedoel. Rokjesdag is hier overigens Bermudatriangleday. Die triangle vanwege het feit dat nogal wat stof wegkruipt op plekken waar het nimmer meer wordt teruggevonden.
Ik besluit nog een muntthee te nemen; je krijgt er hier een cupje honing bij: divine decadence. Een heer die in een andere context gekleed lijkt te zijn op het beroep winterschilder, maar op dit terras zijn zomerswitte gevoel tracht uit te stralen, vraagt de serveerster passerend met een vriendelijke lach naar de toiletten. Ik bedenk mij dat het ook zijn vrouw geweest kan zijn: dat met die witte kleren (echt alles is wit: schoenen, broek, overhemd en ceintuur en ik wil wedden ook zijn Bjorn Borg, al weet een beetje vrouw, dat je onder een witte broek een rode kleur draagt en niet alleen als je ongesteld bent). Het lijkt me namelijk meer een man wiens vrouw de koffer in pakt: “Zeg schat, wil je nog die gestreepte polo mee, al is ie van vorig jaar? Kan nog wel hoor?” Waarop hij met een wegwimpelend gebaar en een “Is goed” de beursberichten doorneemt, die hem ondanks de huidige markten toch weer mogelijk hebben gemaakt op dit schitterende eiland te vertoeven en de rest van zijn Miami Vice fantasie houdt hij voor zichzelf. Ach, dat is nou jammer: meneer komt retour en heeft allemaal letters op zijn overhemd aan de achterzijde. En niet van de categorie “Gaastra” of dito garantie voor de “ik hoor erbij-garantie”. Nee, deze letters maken onderdeel uit van een door mij niet geheel begrepen stripverhaal achtig gebeuren op zijn achterzijde. Ik laat achterwege hem naar het verhaal achter(op) hem te informeren; het zou me niets verbazen als hij het verhaal ook niet kent. Alleen zijn vrouw, die weet alles.
Zo, bijna 1.800 woorden, zo gaat dat dus met columnisten, schrijvers. Ik moet zeggen, het begint te bevallen. Ik schrijf zo een hoop oorverdovende stilte op deze klaptop, zonder daar iemand kwaad mee te doen en ik vind het nog leuk ook. Een vader-met-aanhang-kind-op-fiets passeert behendig het terras.
Tijd voor even pauze en nog een slokje muntthee.
I’ll be back!
Jeannette
Twee uur op Vlieland
Het terras. Een opa van 83 vertelt aan zijn kleinzoon over het ontstaan van de naam Stortemelk. Opa is een levendig verteller en de kleinzoon een dankbare luisteraar die zijn opa verleid heeft tot dit terras, waar de rieten badstoelen voorzien van comfortabele kussens en schapenachtige fleece-dekentjes zijn voorzien. Zijn ‘O, doe maar Sprite” verraadt dat dit niet zijn eerste terrasbezoek is en dat hij duidelijk meer gewend is. Na het consumeren van zowel hetgeen werd opgediend door de serveerster als door opa vertrekken ze weer. “De anderen weten niet waar we blijven”, zegt opa. “Ze zeggen vast: die is weer iemand tegen gekomen zeker.” Vervolgens zegt hij op vragende toon: “Leuk hè, is dit?!” tegen zijn kleinzoon. Met een routineus “ja” antwoordt zijn kleinzoon meer ter bevestiging van opa dan het bezoek van zojuist evaluerend. Innerlijk glimlachend moet ik denken aan hoe vaak ik kan zeggen: “O, wat gezellig hè?” als ik met mijn lief en kinderen zicht- en hoorbaar van het samenzijn geniet. Na de 3e keer herinneren mijn lief of één van de kinderen me er meestal aan dat ik dat al gezegd heb.
Het zal nu voor de 3e of 4e keer zijn dat ik op het eiland ben, voor het eerst alleen. Althans ik reis alleen, maar er zijn hier genoeg mensen die op hetzelfde idee gekomen zijn voor deze dagen. Ik ken niemand en ik ken ze allemaal.
De wij-wij-zijn-hier-ook-al-vaker-geweest en gaan voorlopig nog niet weg mensen. De schuchtere verkenners. De we-hebben-er-zin-in-en-hebben-‘t-eerste-tray-tje-al-geconsumeerd-kudde (dat zijn er opvallend weinig, maar het was de vroegste boot vanuit Harlingen), de wij-hebben-een-familie-uitje-groepjes, en de gezinnen met kleine kinderen die ook makkelijk en liever op een ander moment buiten de schoolvakanties hier hadden vertoeven, ware het niet dat pappa verplicht met bouwvak is of mamma natuurlijk, die directeur is van een toeleveringsbedrijf in dezelfde branche. Ik heb nog geen Einzelgänger gezien, maar dat zal wel schijn zijn.
Het is mijn 2e dag van 4 dagen weg, waarin ik een dik boek bij me heb dat ik me vast voorgenomen heb om te lezen. Verder dan 3 bladzijden ben ik nog niet gekomen: er gebeurt gewoon te veel. Zelfs als je hier niks doet op een plek waar je niemand ziet, om misschien wel juìst als je niets doet op zo’n plek, dan is er zoveel om bij stil te zijn. Gewoon in jezelf. Dat je je zo ontzettend gelukkig mag prijzen dat je een kind van de wereld bent en dat je de kans hebt om te fietsen in deze prachtige natuur; of het nu met tegenwind is of de wind in je rug. Dat je een prachtfiets kunt huren, daar het geld voor hebt, en de gezonde benen om de pedalen rond te krijgen, dat je kunt stoppen waar of wanneer je maar wilt, om wat te eten of drinken of om met je inmiddels niet meer zo nieuwe maar wel prachtige fotocamera een poging te doen om vast te leggen wat jij op dat moment op je netvlies (en met al je anderen niet met de camera vast te leggen zintuigen) ervaart. Dat ik de mevrouw-zonder-versnellingen in haal (ja, ik rijd hier op deze dagen alleen mijn eigen ritme, dat dan weer wel), die mij uitlegt dat een fiets-mèt voor haar niet is weggelegd, wijzend op de brace om haar rechterpols. Ik vraag mij ondertussen af of de meneer-met-een-arm-en-wel-de-linker, die ik 10 minuten geleden tegenkwam nou wel of niet op een versnellingenfiets reed. Dat is toch belangrijke informatie voor een middag met jezelf alleen op dit prachtige eiland fietsend.
En natuurlijk stel ik mij ook de andere –meer vanzelfsprekende vragen- die meerdere mensen zich op dit eiland stellen, samen of alleen reizend: “Wat lekker en/maar wat doe ik hier?” En waarom in dit gezelschap (of alleen)?” “Zit ik wel in de goede relatie?” (Ja, je zit per definitie in de juiste relatie, want zelfs als je wilt scheiden is dit de perfecte relatie om dit blijkbaar in uit te proberen). ”Is dit wel mijn leven?”(Ja, van wie anders?) . “Is dit wel mijn richting?” Ja, want je bent er nou toch en als je probeert van richting te veranderen en dat is niet de bedoeling, dan regelt het leven voor jou wel weer de juiste richting en keer je vanzelf op je pad terug; dan zit je nu gewoon in een omleiding, wegomlegging, verkeersopstopping, wat dan ook, maar zelfs die hoort bij jouw richting blijkbaar.
En nu zit ik dus op een terras, alleen en met een stuk of 30 anderen. Ik vraag mij af of ik het leuk vind om alleen te reizen. De meesten hier lijken net van de boot te komen en kijken nog wat verliefderig naar elkaar (als je zwanger wilt worden, zie je ook alleen maar dikke buiken) met voldoende gesprekstof, al is het maar over de uitmuntende kaart die ze hier hebben. Niet helemaal een onderwerp voor tortels, dat laatste, maar het vult de stilte, en dat is wat de meesten hier proberen te doen. Het is nog niet de gevaarlijke 3e dag waarop alles ineens heel anders lijkt te gaan dan vooraf afgesproken of waarop de samenreizenden vanzelf in hun oude patroon terug vallen, waarmee de saaiheid van de andere kant van het water zich weer aandient en men zich weer begint af te vragen wat ze de ander nog te melden hebben of vice versa. Vooral het ontberen van nachtrust als gevolg van het door een van de partners vergeten anti-muggenspul kan hierin een voorwaartse versnelling van het ontstaan van een waarom-ben-ik-hier-in-Gods-naam gevoel geven.
Dat laatste vraag ik me ook af. Ben ik hier nou omdat ik het zo leuk vind om alleen op pad te gaan (bevalt overigens goed hoor, want met je partner op een terrasje ga je niet een half uur met een laptop voor je snufferd zitten en of andere hier dat “aso” vinden, dat vind ik in deze setting niet interessant)? Of ben ik hier omdat ik wel graag hier wil zijn, maar toch liever met mijn lief. Ik ben er nog niet uit. Zo vind ik het fietsen in mijn eigen ritme verrassend fijn; ik behoor tot de categorie die bij enige tegenslag (te) snel de auto pakt en hier fiets ik om te fietsen (of zoiets). En verder is het heerlijk fietsen met een camera in de aanslag en het landschap in mij op te zuigen als kijk ik voortdurend door een lens: dat geeft focus en een innerlijk creërende energie die mij af en toe zegt af te stappen, zonder dat ik hierover hoef te overleggen of mij bezwaard voel daarover. Dit bevordert mijn spontaniteit in het nemen van foto’s en kijkend naar het resultaat op het klein schermpje van mijn camera, zittend op dit terras, is dat geen slechte bijkomstigheid. En toch is er ook een deel van mij dat de 1.794 woorden die ik inmiddels geschreven heb graag achterwege had gelaten als mijn lief me hier had vergezeld op dit terras of een andere gezellige gesprekspartner, maar dan wel in die volgorde. Ondertussen realiseer ik mij dat ik daarmee jou als lezer ernstig tekort zou hebben gedaan door mijn spinsels niet op te tekenen in dit document. In het alleen zijn van de afgelopen jaren (vroeger zorgde ik wel dat ik nooit alleen was, dus dat is echt iets van de laatste jaren) wordt het mij steeds duidelijker dat iemand die schrijft, echte schrijvers dus, het alleen zijn ontzettend nodig zullen hebben om te kunnen creëren, om de inspiratie, de informatie en de energie te laten stromen om te komen tot een verhaal. Voor columnisten lijkt het me overigens een combinatie van beiden: neem een bezoekje aan een terras van 10 minuten en je hebt weer voldoende stof voor een week columns. Zonder hem te kort te willen doen: Martin Bril, God hebbe zijn ziel, weet wat ik bedoel. Rokjesdag is hier overigens Bermudatriangleday. Die triangle vanwege het feit dat nogal wat stof wegkruipt op plekken waar het nimmer meer wordt teruggevonden.
Ik besluit nog een muntthee te nemen; je krijgt er hier een cupje honing bij: divine decadence. Een heer die in een andere context gekleed lijkt te zijn op het beroep winterschilder, maar op dit terras zijn zomerswitte gevoel tracht uit te stralen, vraagt de serveerster passerend met een vriendelijke lach naar de toiletten. Ik bedenk mij dat het ook zijn vrouw geweest kan zijn: dat met die witte kleren (echt alles is wit: schoenen, broek, overhemd en ceintuur en ik wil wedden ook zijn Bjorn Borg, al weet een beetje vrouw, dat je onder een witte broek een rode kleur draagt en niet alleen als je ongesteld bent). Het lijkt me namelijk meer een man wiens vrouw de koffer in pakt: “Zeg schat, wil je nog die gestreepte polo mee, al is ie van vorig jaar? Kan nog wel hoor?” Waarop hij met een wegwimpelend gebaar en een “Is goed” de beursberichten doorneemt, die hem ondanks de huidige markten toch weer mogelijk hebben gemaakt op dit schitterende eiland te vertoeven en de rest van zijn Miami Vice fantasie houdt hij voor zichzelf. Ach, dat is nou jammer: meneer komt retour en heeft allemaal letters op zijn overhemd aan de achterzijde. En niet van de categorie “Gaastra” of dito garantie voor de “ik hoor erbij-garantie”. Nee, deze letters maken onderdeel uit van een door mij niet geheel begrepen stripverhaal achtig gebeuren op zijn achterzijde. Ik laat achterwege hem naar het verhaal achter(op) hem te informeren; het zou me niets verbazen als hij het verhaal ook niet kent. Alleen zijn vrouw, die weet alles.
Zo, bijna 1.800 woorden, zo gaat dat dus met columnisten, schrijvers. Ik moet zeggen, het begint te bevallen. Ik schrijf zo een hoop oorverdovende stilte op deze klaptop, zonder daar iemand kwaad mee te doen en ik vind het nog leuk ook. Een vader-met-aanhang-kind-op-fiets passeert behendig het terras.
Tijd voor even pauze en nog een slokje muntthee.
I’ll be back!
Jeannette
zondag 7 augustus 2011
Reageren
Reageren op dit bericht is niet mogelijk.

